Mijn onzichtbaarheidsmantel had geen batterij meer. Ik lag weer in het bed, en ik hoorde de soldaten op de gang mijn kant op komen. Ik wist dat ik nu snel iets nieuws moest verzinnen. Ik wachtte tot ze binnen kwamen en over hun eerste verbazing heen kwamen dat ruimte opeens leeg was toen ik de mantel snel van mij af trok en tussen het groepje geschrokken mannen heen rende. Die truc kon ik niet nog eens doen.
Terwijl ik hoorde hoe ze over hekserij schreeuwde rende ik de straat op. Ik wist ongeveer welke kant ik uit moest, maar Amsterdam was toch wel erg veel veranderd in de afgelopen 500 jaar. Ik herkende de globale vorm van de zeedijk, en besloot naar Centraal Station te rennen, waar ik me ergens hoopte te verschuilen of via de trein te ontsnappen. Misschien kon ik daar even wat rust vinden van mijn achtervolgers.
In de tijd te manipuleren door te versnellen en te vertragen ben ik nooit echt helemaal goed in geweest, maar dat het zo fout zou gaan had ik nooit verwacht. UEC leek een mooi ideologisch bedrijf dat mensen met nieuwe technologie zou kunnen helpen. Maar hun training en veiligheid van de medewerkers liet te wensen over. Door het tijdsmanipulatie apparaat ’s avonds niet uit te zetten was ik per ongelijk eeuwen terug gegaan. Zonder een volle powerbank zou ik waarschijnlijk nooit meer terug komen.
UEC zal het incident waarschijnlijk snel onder het tapijt vegen. Alles om hun aandeelhouders en investeerders maar tevreden te houden. En de alledaagse medewerker wordt compleet vergeten.
Ik rende de Zeedijk uit maar zag tot mijn verbazing geen Centraal Station. Ik zag in plaats een wijd uitgestrekte haven, met tientallen of misschien wel honderden schepen die aankwamen, wegzeilde over het ij of waren aangemeerd bij een ingewikkeld netwerk van steigers. Het was een adembenemend gezicht om te zien. Natuurlijk, dacht ik bij mezelf, het treinstation zou pas veel later komen.
Het soldatenrumoer achter me deed me herinneren dat ik nu geen tijd had om te denken wat er allemaal veranderd was, of zou gaan veranderen. Ik rende de haven in de steigers op. Het doolhof tussen de grote zeilen zou mij hopelijk wat beschutting geven.
Nadat ik bij een grote klipper was aangekomen, besloot ik nu rustig te lopen om zo te proberen geen aandacht te trekken van de zeemannen en handelaren die tussen de schepen bezig waren. Naast de klipper lag een kleiner bootje waar niemand mee bezig was. Ik keek om mij heen, en stapte in. Het kleine bootje gaf makkelijk toegang tot het touwwerk van de klipper. Iedereen was te druk bezig met hun eigen bezigheden, en ik klom ongemerkt de klipper op.
Het dek was vrijwel verlaten. Een matroos stond aan de andere kant van het schip de verte in te staren. Wellicht dat de handel nog verkocht moest worden, of dat er nog bemanning gezocht werd voor de volgende tocht. In ieder geval was dit voor nu een perfect plek om de soldaten van mij af te krijgen.
En inderdaad, de soldaten rende verder de steigers op. Ik zag hoe ze zich opsplitste en tussen de reusachtige boten verdwenen. De rust die tot mijn kwam duurde niet lang, want ik schrok me kapot toen ik mijn UEC apparaat hoorde piepen. Het laatste restje batterij was onvoldoende om echt iets mee te doen, maar ik zag een notificatie binnenkomen dat het verbinding had gemaakt met een UEC collega. Hoe was dat mogelijk? Was iemand anders ook hier terecht gekomen? Er waren nog geen satellieten in de ruimte voor lange afstandsverbindingen, dus dat betekende dat deze persoon dichtbij zou moeten zijn.
De verbinding was niet al te sterk, en terwijl ik keek werd deze snel zwakker. Te snel, leek mij. Ik keek goed om mij heen. De matrozen die ik zag waren bezig met uit en in laden, ik zag rustig lopende mensen, maar niets dat snel bewoog. Toen ik tussen twee zeilen een groot schip zag wegvaren. Dat moest het zijn.
Zonder erg goed op te letten sprong ik van het schip af. Het maakte niet uit, ik moest deze mede tijdsreiziger vinden. Ik rende de steigers door, met mijn blik op het schip dat met volle zeilen snel over het water gleed. Ik kwam bij het einde van de steigers terecht en overwoog nog even om in het water te springen om het achterna te zwemmen, tot ik realiseerde dat het te ver weg was. Een oude man zat comfortabel op een stapel goederen en staarde naar het open water terwijl hij een pijpje rookte.
“Wat is dat schip dat daar wegvaart?” vroeg ik zonder na te denken over hoe vreemd mijn taalgebruik eigenlijk moest klinken. “Dat schip daar? Dat is de Prins Willem. De VOC stuurt haar naar Batavia toe” Batavia? Wat zocht mijn collega in Indonesië? Ik wist dat ik niet alleen wilde zijn in deze vreemde tijd. Hoe dan ook zou ik mijn collega moeten achtervolgen. “Pardon mijnheer, maar ik ben gisteren uit Vlaanderen gekomen. Ik zou mij graag willen inschrijven om ook naar Batavia te gaan. Waar kan ik dat doen?” “Ah een zuiderling”, zei de man tussen twee trekjes op zijn pijp. “ik dacht het al te horen. Je hebt geluk, de VOC zoekt nog naar matrozen voor de Nieuw Hoorn. De inschrijvingen zijn in het stadshuis.” Ik dankte de oudere man en liep langzaam bij hem weg.
Het was een vreemde geruststelling dat ook in deze tijd het damrak een enorme drukte was. Handelaren in hun nette zwarte kleren liepen met hun gevolg pronkend tussen de stinkende zeemannen. Kleine schepen vaarden de koopwaar de stad in.
De drukte leek zich vooral af te spelen rond het gebouw aan het einde van de damrak. Door de open pilaren heen zag ik een groot plein vol met handelaren die bezig waren met papierwerk, geld en gepassioneerde gesprekken. Dat moest wel de beurs zijn dacht ik bij mijzelf.
Misschien omdat de dam nog wijds en open was, of omdat het nog maar een paar decennia oud was, maar het stadhuis op de dam zag er imposant uit. De trots van de Amsterdamse burgerij.
Ik liep naar binnen, de trap op in de grote zaal met de wereldkaarten op de glimmend marmeren vloer. Het was vreemd om de koloniale trots zo vers en zonder schroom te zien vertoont.
Het kantoor van de VOC was makkelijk te vinden. Het was een grotere ruimte met een soort bali waarachter VOC medewerkers met papierwerk bezig waren. De rest van de ruimte was gevuld met stinkende dronkaards, mannen met gescheurde kleding en halve gebitten. Ik kreeg niet het idee dat ze voor deze baan kieskeurig waren. Ik kreeg door hoe de rij werkte en begon met wachten.
Mijn imitatie als Vlaming gelukkig werkte steeds beter, en ik had onderweg kleding van een wasrek gestolen zodat de mensen een stuk minder achterdochtig waren. Ik had bedacht om bij de opgave mijn naam om te vormen in iets dat in deze tijds zou passen.
Toen het mijn beurt was keek de man nauwelijks op van zijn bureau. “Goedemiddag, ik wilde mij opgeven om mee te varen met het schip Nieuw Hoorn” “Ervaring?” zei de man terwijl hij een nieuw papier pakte zonder mij aan te kijken. “Wel met reizen, maar niet als matroos” “Leeftijd?” “25 meneer” Tussen vraag en antwoord viel een kille stilte terwijl de man de informatie opschreef. “Naam?” “Jan Pieterszoon Coen”.
Het schip kraakte en rolde over de grote golven van de zee. Ik lag in mijn hangmat in het laagste dek tussen de snurkende en stinkende matrozen. We waren ondertussen al maanden onderweg geweest en net twee weken uit Kaap de Goede Hoop vertrokken. Nog steeds had ik niet aan het leven op zee kunnen wennen. Hard werk, weinig persoonlijke ruimte. Het waren verschrikkelijke omstandigheden om in te werken.
Ik had nog geen oog dicht gedaan. Niet met de spanning van wat mij de komende uren te wachten stond. Mijn hart bonkte bijna uit mijn borst en ik bleef maar door de kieren van het plafond staren, totdat ik daar het eerste licht doorheen zag schijnen.
Het was die verschrikkelijke kapitein Riebeeck geweest die mij al die maanden al had lopen terroriseren. Dagelijks urenlang in de brandende zon het dek schrobben en als ik daar klaar mee was, moest ik met de toiletten beginnen en dan weer het prima schone dek weer. Het was me best duidelijk waarom Riebeeck mij moest hebben. Als zogenaamd Vlaming werd ik natuurlijk als katholiek aangezien. Het was ordinaire discriminatie.
Ik miste 2022 zo erg. Mijn eigen tijd. Mijn eigen wereld waar de werkomstandigheden nog redelijk waren, en waar discriminatie tenminste niet zo opzichtig was. In 2022 zouden ze wel raad weten met zo’n tiran als Riebeeck. Hier in de 16e eeuw hadden ze geen flauw benul van enige moraliteit en ethiek. Het was een wetteloze bedoening waar het recht van de sterkste gold.
Ik keerde om in mijn hangmat. In de donkere slaapvertrekken in het onderste van het schip voelde je de deining van het schip het meest. In de eerste weken bleef ik maar overgeven van de zeeziekte. De kapitein en zijn maten lachte me maar uit. Die hooghartige protestanse eikels. Behalve Valentijn natuurlijk. Valentijn was de zoon van een dominee uit Leiden en had me in die eerste weken geholpen met zijn botanische middelen om niet steeds zo ziek te zijn. Valentijn bleek ook kritisch te zijn op de strenge werkomstandigheden van de kapitein en tijdens langdurige gesprekken over arbeidersrechten bloeide een warme vriendschap op.
Misschien was het allemaal wel gewoon voorbij gegaan als de kapitein gewoon bij zijn plannen was gebleven. Niemand wist er het fijne van, maar aangelegen bij Kaap de Goede Hoop was er iets vreemds met de kapitein aan de hand. Een aantal dagen wist niemand waar hij was, en toen hij terug was, was opeens het plan om naar Batavia geschrapt! We zouden terug naar Amsterdam varen vertelde hij. Kleine Jan vertelde me die avond dat hij was gevraagd door de kapitein om een mysterieuze vracht aan boord te brengen. Een zwaar en donker kistje.
Dat was voor mij de laatste druppel geweest. Deze afschuwelijke boottocht kon ik nog enigsinds tolereren met uitzicht op Batavia, waar ik mijn Seventeen collega kon vinden, en hopelijk samen uit deze barbaarse tijd kon ontsnappen. Het was gewoon geen optie om terug naar Amsterdam te gaan, en al deze tijd verspild te hebben.
Ik had besloten om naar de kapitein te gaan, misschien had ik hem nog kunnen overtuigen. Ik liep zijn kajuit binnen en werd verontwaardigd van de weelde waarin hij zich begaf. Terwijl ik mij compleet kapot werkte zat hij de hele dag in een comfortabele stoel het lekkerste eten te eten.
Riebeeck keek op. “Pardon JP? Het is zeer ongepast om voor laag volk als het jouwe onaangekondigd binnen te marcheren.”
“Kapitein Riebeeck, we kunnen niet terug naar Amsterdam. We moeten naar Batavia varen.”
Riebeeck kon net een lach onderdrukken. “Zo… En dat ga jij als paapse Vlaming mij voorschrijven zeker?” Hij knikte naar Rijckhoff, die uit de schaduw stapte. De grote man en VOC soldatenofficier pakte mij stevig beet.
“Wellicht kan de mast deze mispaap wat fatsoen leren” zei Riebeeck, terwijl hij al weer naar de papieren op zijn bureau keek.
Rijckhoff sleepte me mee naar buiten en riep Goens bij zich. “Goens, deze mag aan de mast van de kapitein” Goens begon te grijnzen, en pakte mijn andere arm en begon me verder te slepen. Toen ze me naar de hoofdmast hadden gesleept pakte Rijckhoff mijn rechterhand en hield deze tegen het ruwe hout aan. Voor ik het wist stak hij zijn dolk precies door het stuk vel tussen mijn vingers. De pijn stak, en werd snel erger. Rijckhoff en Goens bonden mijn andere hand vast aan de mast en begonnen mij met wat andere omstanders keihard uit te lachen.
“Wat is er mis zuiderling, kun je nu geen kruisje meer slaan?” Nadat ze uitgelachen waren liepen ze weg zonder iets te zeggen over hoe ik nu vrij zou komen. Ik keek rond, maar iedereen was druk bezig met hun werk, en als ze me aankeken moesten ze alleen maar grinniken. Ik had er genoeg van. Ik trok mijn hand van tussen de dolk. De pijn schoot door mijn hele onderarm heen, en het begon hard te bloeden. Ik probeerde mij groot te houden voor de omstanders, en liep zo rustig mogelijk het onderdek in.
Zodra Valentijn mij zag greep hij een stuk laken en begon hij mijn wond te verzorgen. Ik vertelde wat er gebeurd was. “Ongelofelijk die Riebeeck. Dat een kapitein van de VOC zo diep kan zinken…” Valentijn was misschien wel meer geschrokken dan ik. “Dit kan niet zo langer Valentijn. Iemand moet die man stoppen.” Valentijn gaf me een verwarde blik. “Wat bedoel je JP?” Hij keek om zich rond om zeker te weten alleen te zijn. “Je weet toch dat op muiterij de doodstraf staat?” Ik keek weg terwijl hij verder bezig was met mijn wond. “Daarnaast…” zei hij hardop denkend, “De VOC soldaten zijn erg loyaal aan Riebeeck. Het zou zelfmoord zijn iets te proberen.” Ik besloot het onderwerp voor nu te rusten.
Voor Valentijn in ieder geval. Ik wist dat ik niet de enige in de katholieke minderheid was. Ik polste ze een voor een voorzichtig. Sommigen konden het goed vinden met de rest van de bemanning, bij anderen was er toch een venijnige verzuring te merken, en als ik voorzichtig mijn ideeën op tafel legde, deinsde ze er niet voor terug. Er ontstond een uitgewerkt plan. Het leek mogelijk, zolang we in het uiterste geheim de voorbereiding deden.
Valentijn wist wel dat ik met iets bezig was. Ik bracht minder tijd met hem door, en als ik dat deed was ik in gedachten verzonken. Ik wist dat ik hem mee moest nemen in het plan. Maar hij was zo dogmatisch in zijn moreel en ethiek, ik kon niet voorspellen hoe hij zou reageren.
Toen die middag een andere katholiek bemanningslid aan de mast was gezet wist ik dat er geen beter moment zou zijn om het te sprake te brengen. We stonden voorop het vrijwel verlaten dek in de frisse avondlucht. Het gros van de bemanning was benedendeks aan het ontspannen. Nadat Valentijn klaar was met een boos monoloog waarbij een veelvoud aan bijbelteksten voorbij kwamen, vroeg ik het hem. “Wat als je een volgende keer zou kunnen voorkomen?” Valentijn keek me recht toe aan. “Ah, dus daar ben je de afgelopen tijd mee bezig geweest.” “Er ligt een plan Valentijn. Het is te doen. Zonder enige vorm van geweld.” Over dat laatste was ik niet helemaal zeker, maar ik wist dat het voor Valentijn belangrijk was. Hij keek de verte in. Het was me opgevallen dat in deze tijd de sterren helderder aan de hemel stonden, en op open zee al helemaal. De melkweg was adembenemend, en ik vroeg me af of deze al zo genoemd werd in deze tijd. Ik gaf Valentijn nog een duwtje. “Wil jij het op je geweten hebben als straks de kapitein de lijfstraffen zal uitbreiden? Hoeveel mensen moeten er nog lijden voor je ingrijpt?” Valentijn keek me weer aan. “Oke. Ik ben geïnteresseerd. Hoe wil je dit aanpakken?”
De planken boven mij in de hangmat kraakten. Heel zachtjes, en als ik niet de hele nacht in spanning had wakker gelegen had ik het niet gemerkt. Maar dit was het geluid waar ik naar zocht. Ik klom uit mijn hangmat, deed mijn kleren aan toen daar het behaarde gezicht van Kleine Jan verscheen. We knikten naar elkaar, en Kleine Jan haalde een grote sleutel tevoorschijn, en glimlachte.
Ik nam de sleutel aan en gluipte op mijn zachtst de trap op. Kleine Jan verdween verder te slaap vertrekken in, om onze medestanders te wekken.
De route die ik nam was niet nieuw voor mij. Ik had deze in mijn vrije tijd geoefend. Door de gangen en dekken van het zacht krakende schip waar op de achtergrond de golven tegenaan vielen liep ik voorzichtig, uit angst om gezien te worden. Uiteindelijk was ik daar, de slaapvertrekken van de soldaten, en daarachter, het arsenaal. Ik deed de deur naar de slaapvertrekken langzaam open, en zag tot mijn opluchting dat iedereen diep in slaap was. Aan het uiteinde, het dichtst bij de wapenkamer lagen Rijckhoff en Goens in hun hangmat te slapen. Het was vreemd om ze zo kwetsbaar te zien.
Op mijn allervoorzichtigst stapte ik langs de hangmatten van de soldaten toen ik bij verstevigde deur van de wapenkamer was. Ik keek nog een extra keer om mij heen, maar iedereen was diep in slaap. Ik opende de deur langzaam en ging aan de slag. In een doek wikkelde ik een aantal degens, en voor mijzelf haalde ik een pistool van de plank en laadde het met een kogel. Deze kogel was voor Riebeeck.
Nadat de buit buiten de slaapvertrekken was gelegd keerde ik me om. De soldaten waren nog diep in slaap. Tegen Valentijn had ik gezegd dat we nu de deur op slot zouden doen. Ik zag Rijckhoff en Coens, en voelde de pijn tussen mijn vingers. Ik herinnerde me hoe ze hadden uitgelachen. En ze waren erg sterk. Waarschijnlijk zouden ze de deur makkelijk kunnen forceren zodra ze wakker zouden worden van al het rumoer. Ik pakte een degen vanuit het laken, en liep naar Rijckhoff. Met al mijn kracht en snelheid doorboorde ik zijn borst, en zo snel mogelijk deed ik het zelfde bij de rest van de soldaten.
Nu was er geen weg meer terug. Ik liep de gang op, en deed de deur op slot. Niemand die dit voortijdig hoefde te weten. De laken met degens zou snel door Kleine Jan en onze medestanders gevonden worden. Ik pakte het pistool en wist waar ik heen moest.
Ik liep de strap op naar boven het dek op. Kleine Jan had me verzekerd dat de wacht zou worden gehouden door een vrome katholiek, die meer dan eens door Riebeeck was lastig gevallen. Ik stapte met grote stappen over het donkere dek en voelde de frisse wind tegen mijn gezicht. Mijn degen had ik niet schoongeveegd, daar had ik nu de tijd niet voor. Ik moest door.
Onder mij hoorde ik de eerste commotie. De stem van Kleine Jan klonk boven al het geschreeuw uit.
Het kapiteinsvertrek zag er als voorheen zeer luxe uit. Fruit en wijn op tafel, prachtige kunst aan de muur. Grote ramen, die open stonden voor de frisse lucht. Alsof je een grachtenpand aan de Herengracht binnenliep.
En daar was Riebeeck. Hij was nog maar half aangekleed, hij was de verassing nog niet te boven. Ik zag een kapitein zonder schip. Zijn schip was nu van mij. Met mijn bloederige degen in de rechterhand, en het pistool met de voor hem bestemde kogel in de linkerhand liep ik op hem af. Hij was ongewapend. Bijna zielig, zag hij er uit.
“Zo mijn protestantse tiran. Je hebt nu wel door wat er nu gebeurd is zeker?”
Hij keek om zich heen naar zijn wapens, maar ik stond er al tussen. Het opkomende ochtendlicht scheen over mijn bloederige degen.
“JP… Alsjeblieft. Wat je ook wilt. Een deel van de opbrengst? Een referentie bij de Heren VII? Zeg me wat je wilt hebben…”
Ik stapte langzaam op Riebeeck af. “Oh beste kapitein, wat ik wil heb ik al.”
“JP… Ik kan erg nuttig zijn. Zonder mij zal je erg lastig aanmeren in de landen van de Republiek…”
Ik deed nog een stap verder, tot ik zijn deftige perfum kon ruiken.
“JP… bij Kaap… Ik heb iets gevonden daar, ik zal het met je delen…”
Ik had genoeg van zijn smeekbedes. Ik herinnerde de minachtig waarmee hij mij liet martelen en hief mijn degen hoog in de lucht. Met het gevest sloeg ik hem keihard op zijn hoofd en terwijl hij inzakte duwde ik hem naar achter, door het open raam heen. Ik deed een stap naar voren, en zag zijn lichaam verdwijnen in de golven die het schip snel achterliet.
Plots hoorde ik het gekraak van de vloerplanken. Ik keek om. Valentijn was bevroren van de schrik.
“JP… Je… Je hebt Riebeeck vermoord! En waar komt het bloed van je degen vandaan?” Valentijn zag wit. “Soms moet je wel harde besluiten nemen om tot je doel te komen. Ik had toch niet gedacht dat je het zou begrijpen” “Begrijpen? JP, je bent nog erger dan Riebeeck en zijn knechten bij elkaar! Je bent een moordenaar!”
Ik wist dat het voor mij en Valentijn te laat was. Zonder er verder bij na te denken hief ik mijn linkerarm omhoog. Valentijn kon ik nu onmogelijk overtuigen van het nut van mijn daden. “JP!” schreeuwde hij het uit met zijn handen voor zich, in een hopeloze poging zichzelf te beschermen, toen ik de trekker overhaalde. De knal was overdonderend en mijn oren suisde nog na terwijl er op Valentijns nek een rode vlek begon te vormen en langzaam naar bedenen gleed. Hij viel neer op de grond. Een klein moment keek naar zijn levenloze lichaam, en stapte er overheen.
Ik liep naar buiten het hoogste dek op. Iedereen had het kogelschot in de kapiteinskajuit gehoord, en iedereen wist wat het betekende. Mijn katholieke vrienden stonden nu met hun degens rond de rest van de bemanning, maar hun ogen waren allemaal op mij gericht.
“Zo mijn vrienden.” Riep ik, terwijl ik de angst van hun gezicht las. ”De dagen van de tirannie van Riebeeck zijn voorbij. Wij maken nu rechtsomkeert, op naar Batavia!”